maandag 21 augustus 2017
 
Minimaliseren
 


Bij boerderijen waren veel functionele bijgebouwen nodig. Een daarvan was een wagenloods of wagenschuur, die gebruikt werd om de landbouwwerktuigen te bergen. De schuren of loodsen waren er in veel varianten. De combinatie van het houden van vee en berging werd in Gelderland op sommige plaatsen bijschuur genoemd. Ze  werden naast de boerderij gebouwd, waardoor een zekere symmetrie ontstond in de gevels van boerderij en schuur. In het Gelderse rivieren gebied namen in loop van de achttiende eeuw overstromingen in aantal en kracht toe. In dit gebied werd de zogenaamde vloedschuur gebouwd. Deze schuren werden op kunstmatige of natuurlijke terpen gebouwd. Deze schuren dienden voor de stalling van vee, in tijden van extreem hoog water werd al het vee hier naartoe gedreven.

 


Voor de opslag van graan werd een spieker gebruikt. Dit waren dus een soort graansilo's. De eerste spiekers werden van eiken vakwerkconstructies gemaakt, met daartussen beleemd vlechtwerk. Later werden deze spiekers gebouwd van steen. Ten westen van de lijn Ruurlo-Hardenberg kreeg de benaming spieker in de loop der jaren een andere betekenis. Het waren adellijke buitenhuizen van burgers bestaande uit een kelder met daarboven twee verdiepingen.

 

Het houden van schapen kwam het meest voor op schrale zandgronden. Men was hier schapenmest voor nodig wat van betere kwaliteit was dan koeien- of varkensmest. De schapen werden ook gehouden voor hun wol. Het onderdak voor de schapen vond plaats in een zogenaamde schaapskooi. De schaapskooien zijn herkenbaar aan een laag aflopend rieten schilddak, dat boven de toegangsdeuren in de kopgevel is verhoogd. De schuinte hoeken op de kopgevel werd gemaakt om de schapen makkelijker in en uit de schaapskooi te kunnen drijven. Soms werd de sporenkap direct op de gevels geplaats, hierdoor moesten de buitenwanden gestut worden.

 


Eind negentiende eeuw werden dankzij de landbouwcrisis steeds meer varkens gehouden op de boerderij. Het was een alternatieve inkomensbron. Het varkensvoer moest op grote kookpotten worden klaar gemaakt. Om brandgevaar in de boerderij met zijn rieten dak te voorkomen ging men een stookhokken bouwen. Hier werd dan alles voorbereid voor het varkensvoer. Later werd hier ook het brood gebakken. De stookhokken of bakhuisjes zijn vak eenvoudig omdat het een noodzakelijk bijgebouw was, men wou er niet veel geld aan uitgeven. Nu zijn het door hun eenvoud pronkstukken geworden op het boerenerf. De stookhokken of bakhuisjes worden nu vak recreatief gebruikt.

 


Andere belangrijke bijgebouwen zijn de kippenhokken. Begin twintigste eeuw kwam men erachter dat wanneer kippen meer warmte en licht krijgen ze in de winter doorleggen. In de negentiende eeuw liepen kippen zomer en winter buiten waardoor er in de winter geen eieren werden geproduceerd. Door de nieuwe techniek waarbij men ook gebruik ging maken van nachtverlichting, werd het verschil tussen zomer en winter weggenomen en kon men dus meer inkomsten genereren. Ramen werden op het zuiden gericht voor zoveel mogelijk daglicht en warmte.

HOME   |   INTRODUCTIE   |   REFERENTIES   |   LINKS   |   MEDIA   |   AUTHENTIEK STAAL   |   AUTHENTIEK HOUT   |   CONTACT
Copyright 2017 by DeHaanEC